“Christine Spierings”

Christine Spierings (1943), autodidact, maakte vijftien jaar geleden een succesvol debuut met figuratief-expressionistisch werk. Vier jaar later verraste zij opnieuw met een overstap op verstilde, abstracte vormen. Die overstap bleek echter slechts van tijdelijke aard, want in 1993 –  na een rustperiode van vijf jaar – maakte zij haar rentree met een, naar het tot dusverre lijkt, definitieve keuze voor het figuratieve. Met haar comeback maakte ze tegelijk een overstap van acryl- op olieverf.

Haar comeback is bepaald geen terugkeer naar het door Cobra geinspireerde werk uit de beginperiode. De gezichten zijn geen Cobra-gezichten meer, de lijven geen Cobra-lijven en hetzelfde geld voor de compositie als geheel. In vergelijking met vroeger zijn Spierings’ doeken minder wild en minder druk. Daarmee zijn ze echter niet minder vol of minder beweeglijk geworden. Integendeel, juist door de herkenbaarder vormen en de daarmee gepaard gaande overzichtelijkheid en – schijnbaar – grotere toegankelijkheid, heeft Spierings’ werk zich in toenemende mate verdiept. Qua kleurstelling is het minder contrastrijk geworden, maar dat geldt niet voor wat betreft het effect.
Er bestaat een grote tegenstelling tussen de vrolijk ogende, in elkaar overvloeiende kleuren enerzijds en de gelaatsuitdrukking van Spierings’ personages anderzijds. Met name ogen en mond ondermijnen de eerste, door het kleurgebruik opgeroepen sfeerindruk.
Het is echter niet zo, dat een ‘revisie’ een exact tegenovergestelde sfeerindruk oplevert, want uiteindelijk blijken de kleuren toch te passen bij de blik. Dat is niet een blik van gemengde gevoelens – gelukkig en triest tegelijk. Het is eerder een blik die gemengde gevoelens – dat wil zeggen: gevoelend van verwarring – oplevert bij de kijker, omdat het een ondefinieerbare, naar binnen gerichte blik is. Precies dat is wat Spierings’ werk zo vol en beweeglijk maakt en zoveel minder toegankelijk dan het op het eerste gezicht lijkt.

Ook sinds Spierings’ comeback is een ontwikkeling gaande. Dominant tijdens haar vorige expositie in 1996 waren de in carnavaleske kleuren neergezette, vaak in het gezelschap van hond of haan verkerende figuren uit de wereld van circus en theater, werken die in de kritiek gevangen werden binnen het thema van ‘de menselijke komedie’. Tijdens die expositie was echter ook een serie vrouwelijke naakten te zien die buiten dat thema viel. Het kleurgebruik was niet wezenlijk anders, maar Spierings bewoog zich met dat werk wel van het carnavaleske naar het exotische.
Het exotische  is van oudsher verbonden met het erotische, zoals natuurlijk ook de afbeelding van het vrouwelijk naakt zelf. Toch passen de naakten van Spierings niet binnen dat klassieke denkbeeld. De combinatie van kleur en gelaatsuitdrukking vraagt om een andere, minder traditionele manier van kijken.

Met de komende expositie zal blijken dat het thema van de menselijke komedie voor Spierings zo goed als verleden tijd is. Een aantal doeken is weliswaar nog met dat thema in verband te brengen, maar ditmaal zijn het de vrouwfiguren die domineren. Anders dan twee jaar geleden zijn dat echter lang niet altijd naakten. Daarnaast zijn het niet uitsluitend soloportretten meer: Spierings tekent haar vrouwfiguren nu ook in relatie tot man, kind of dier. Typerend voor Spierings is dat het desondanks geisoleerde personages blijven: haar vrouwen staan geheel op zichzelf. Dat blijkt met name uit de kleurrijke naakten die, ditmaal vaak met gesloten ogen, de kijker zeer subtiel confronteren met diens eigen overbodigheid.

Petra Veeger

Nieuwsbrief Galerie Kadijkveste  11/98